28
AUGUSTUS, 2011
Uit Den Ouden Doosch
Stilte van de Onschuld

We zitten op een hoogte van 4060 meter. Ik ervaar barstende hoofdpijn en ik heb last van zuurstofgebrek. Ik kauw op cocabladeren. Niet voor een religieuze functie, zoals de lokale bevolking dit ook wel gebruikt voor offers aan Moeder Aarde en de Goden, maar voor een beter uithoudingsvermogen.

Bij een winkeltje (lees: vrouw op de straat) koop ik nog eens twee extra zakken met donkergroene bladeren. Deze keer alleen niet voor mezelf, maar voor de mensen die ik binnen afzienbare tijd ga ontmoeten. Samen met tientallen andere toeristen ga ik namelijk de zilvermijn van Potosí bezoeken.

Sinds enkele jaren zijn er organisaties die tours regelen voor het betreden van deze mijn. Ik worstel ermee of ik dit wel moet doen. Iets zegt in mij dat het verkeerd is. Wat betekent het dat ik mensen ga bezoeken die hard werken onder erbarmelijke omstandigheden? Komen toeristen hier om iets te leren over de mijn, over hoe mensen leven of is het enkel kijken naar mensen die het zwaar hebben? Is dit een mensentuin?

We betreden de mijn. De ingang is klein en verlichting door elektriciteit of vuur is er niet. Het is geen mijn uit een film en Mario Kart doet mij hier ook niet aan denken. Het is bukken en kruipen terwijl het stof ons aanvalt. Het is geen prettige wandeling en het vergt veel energie. Deze route wil je niet vaak afleggen. Na een half uur gutst het zweet van mijn voorhoofd. We komen lager en lager en het begint warmer en warmer te worden. Het voordeel van de honderden meters afdalen, is dat ik langzaam minder hoofdpijn krijg. Mijn longen zijn ondertussen wel zwaar aangetast door stof. We nemen een pauze van het kruipen en strijken neer bij wat mijnwerkers die de ene na de andere emmer volladen met ertsen. Ze lachen en vragen of we even mee willen helpen.

Natuurlijk wil ik dat. Ik neem de schep over en begin met veel vertrouwen aan het opscheppen van de ertsen. Na vijf keer door de knieën zijn gegaan, breekt het zweet me echt uit. Ik gooi mijn jas open, leg mijn helm weg en ga voor ronde twee. Weer ga ik met de schep naar beneden, ik weet grote stukken erts te pakken en ik keer de schep om in de emmer. En weer. En weer. En weer. Tegenover mij staat een jonge Boliviaanse jongen van twee koppen kleiner. Hij kijkt mij grijnzend aan en uit het oogcontact spreekt een uitdaging; hij gaat even laten zien hoe het moet. En dat doet hij. Zijn schep gaat drie keer sneller op en neer. Met al mijn kracht, tot verbazing van de groep en de andere mijnwerkers, probeer ik hem bij te blijven. Ik zweet, adem diep en ik voel mijn krachten wegvloeien. De jongen tegenover gaat door alsof het niks is.

De cocabladeren die ik heb meegenomen, geef ik aan de mannen en jongens die hier staan te zwoegen. En terwijl ik aan het bijomen ben, vraag ik aan de jongen die mij net even heeft laten zien hoe mijnen werkt, wat hij hier eigenlijk doet. Hoe kan jij hier nu, op deze leeftijd, al in verzeild zijn geraakt? Hoe vaak werk je hier? School? Wat zijn je werktijden? Wanneer zie je daglicht? Wat eet je? Drink je? Alcohol?

De jongen is zestien jaar en werkt een kleine drie jaar in deze mijn. Eerst kwam hij samen met zijn vader naar beneden en deed hij enkele kleine klusjes om hem te helpen. Niet te fysiek, maar vooral om het zijn vader makkelijker te maken. Zo is hij er ingerold. Een half jaar geleden overleed zijn vader, op een leeftijd van 39, en nam hij een groot deel van de honneurs waar om zijn familie te voorzien van geld. Met vier broertjes en zusjes en een alleenstaande moeder had hij weinig keus. Hij werkt vijf dagen in de week en bepaalt zelf wanneer hij komt en gaat. Vaak begint hij rond vijf uur ‘s ochtends en is hij klaar rond vier uur ‘s middags. Eten gebeurt er niet in de mijn. Af en toe een sigaret, maar het zijn voornamelijk de cocabladeren die hem staande houden en de benodigde vitamines geven.

Ik sta nog steeds uit te hijgen als hij antwoord na antwoord geeft. Ik snap goed dat na verloop van tijd dit werk een ritme wordt waarin je fysiek en mentaal groeit. Fysiek is het ‘gewoon’ een training. Toch zijn het verschrikkelijke werkomstandigheden. Werkomstandigheden die mij doen denken aan de 18de eeuw in Europa.

Mensen werken in de mijn met de droom om er weer uit te komen. Letterlijk. Er wordt gezocht naar die ene plek in de berg waarin waardevolle ertsen te vinden zijn. Als je de kans hebt om de mijn te verlaten, is het de bedoeling dat je dit geld slim gebruikt. Niet aan de vrouwtjes en alcohol. Investeer het in ander werk, koop een vrachtwagen en begin voor jezelf. Je bent niet rijk, maar er zal een gezonder en veiliger bestaan zijn. Maar zoals ik al zei, dat is de droom. De realiteit is dat er maar weinig goudmijntjes zijn en als dit al zo is, dan gaan er maar weinig mijnwerkers verstandig om met het geld. Het resultaat? Mannen die op jonge leeftijd overlijden, terwijl er een groot gezin wordt achtergelaten.

Uit de mijn gekomen te zijn, zijn de toeristen verwonderd en boos. Iedereen is het er over eens; dit kan niet langer: ‘Deze mensen kunnen niet in zulke omstandigheden werken. Het doet ons denken aan de industriële revolutie van Engeland eind 18de eeuw. Dit is niet menswaardig. Waar zijn de mensenrechten? Waar zijn organisaties die zich voor deze mensen inzetten?’

Het geld in de mijn is goed voor Boliviaanse begrippen. Een werknemer verdient ongeveer drie keer meer dan dat het gemiddelde maandsalaris in Bolivia is. Let wel, het geld is goed voor Boliviaanse begrippen. Het grote geld van deze ertsen wordt door de Westerse bedrijven verdiend. En daar zit natuurlijk wel weer een controversie in: terwijl de Bolivianen het levensbedreigende werk doen, verdienen mensen aan de andere kant van de oceaan er veel meer geld mee. Het systeem wordt in stand gehouden door de corporaties in het Westen. Zij hebben de kennis over het bewerken van het zilver. Zolang andere landen, zoals Bolivia, dit niet ook beheersen, zal meer gelijkheid er niet snel komen.

Ik heb dubbele gevoelens bij de uitspraken van mijn medereizigers: het is verschrikkelijk, en ondanks dat het een vrije keuze is om in de mijn te werken, hebben zij weinig keuze. De familie moet levensmiddelen krijgen en geld is daarvoor belangrijk. Desalniettemin is er ook een keerzijde. In 2008 heeft de Boliviaanse regering aangeboden om te zorgen voor betere werkomstandigheden, al zouden de mijnen dan wel van de staat zijn. Dit hebben de mijnwerkers tegengehouden. Het  belangrijkste argument hiervoor is dat wanneer de mijnen van de staat zijn, de mijnwerkers minder geld zullen verdienen bij grote vondsten. Geld boven veiligheid is een duidelijke keuze, hoe je het ook wendt of keert. En waar ligt de verantwoordelijkheid dan?

Het leven is niet eerlijk, en dat wordt door ons, door mij, in stand gehouden. Ik kan door het mondiale systeem goedkoop naar deze plekken en door deze landen reizen. Ik vraag mij dan hardop af: We roepen met z’n allen, jij en ik, dat de werkomstandigheden zoals deze waren tijdens de industriële tijd in de 18de en 19de eeuw, nooit meer mogen gebeuren. We roepen met elkaar dat werkomstandigheden waarin kinderen en jonge volwassenen zich de dood in werken onder onmenselijke omstandigheden niet meer mag gebeuren. En toch gebeurt het nog steeds.

Dat verbaast mij. Dat stemt mij verdrietig. De ver-weg-show is opeens dichtbij. De mensen die het grote geld aan deze mijnen verdienen, weten het ook en doen er weinig tot niks tegen. Dat is op zichzelf in- en intriest. Ik geloof ook dat 99% van de mensen over de hele wereld een goed hart heeft en deze situatie direct zou willen veranderen. Het is alleen zo dat die ene procent lastig te verslaan is.